Afdrukken

Psalm 73: 1 en 2Matth 58

1 Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed, Schier uitgeweken, en mijn treen Van 't spoor der godsvrucht afgegleen.

2 Ik zag met nijdig' ogen aan, Hoe dwazen hier op rozen gaan, En hoe goddlozen in hun gangen, Al veeltijds rust en vree erlangen. Zij weten van geen tranenbrood, Van gene banden tot hun dood; Hun kracht is fris; zij zijn gezond Tot op hun laatsten avondstond.

Dan zal na zoveel gunstbewijzen, 't Gezegend heidendom, 't Geluk van dezen Koning prijzen, Die Davids troon beklom. Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen, Bekleed met mogendheen; De Heer', in Israel geprezen, Doet wondren, Hij alleen.

Schriftlezing Psalmen 73 hier afgedrukt vanuit de Staten Vertaling

1 Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn. 2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. 3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. 4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. 5 Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. 6 Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. 7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. 8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9 Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde. 10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, 11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? 12 Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. 13 Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14 Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens. 15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. 16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. 21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. 23 Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! 26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. 27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert; 28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

Gezang 204 wordt voor de preek gezongen

1 Door uwe donk're sluier heen zoekt U mijn hart met zijn gebeen, o eeuw'ge Bron van al wat is, o groot, o diep Geheimenis!

2 Gelijk de bloem naar zonnegloed, zo neigt mijn ziel naar 't hoogste goed; z' is voor altijd aan U geboeid, o Liefde, die het al doorgloeit!

3 Wie is er, die m' aan U ontrukt? Uw merk, mijn ziele ingedrukt, uw zegel in de edelsteen, wijst altijd naar haar oorsprong heen.

4 Gelijk aan 't verre, vreemde strand gedachten gaan naar 't vaderland, zo, midden in het aards gewoel, vraagt mijne ziel naar 't eeuwig doel.

Tekst voor de preek: Mattheüs 5: 8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

Slotpsalm moet zijn geweest Psalm 99: 88 Geeft dan eeuwig' eer Onzen God en Heer'. Klimt op Sion, toont Eerbied, waar Hij woont, Waar Zijn heiligheid Haren glans verspreidt; Heilig toch en t' eren Is de Heer' der heren.