Schriftlezing:Markus 21 13 tekst 10 11

Markus 2: 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was. 2 En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen. 3 En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd. schilderij van Anonymus: De genezing van de lamme van Kapernaum 4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag. 5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten: 7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God? 8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten? 9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel? 10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): 11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis. 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien! 13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.

 Voor de preek klinkt Gezang 112

1 Een naam is onze hope, een grond heeft Christus' Kerk, zij rust in ene dope, en is zijn scheppingswerk. Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af. Hij was 't, die door zijn sterven aan haar het leven gaf.

2 Vergaard uit alle streken in heel de wereld een, werd dit haar zalig teken, dat allen is gemeen. Een bede vouwt de handen, een zegen breekt het brood, een vuurbaak staat te branden in 't duister van de dood.

3 Bij 't bloedlicht der flambouwen, in 't heetste van de strijd, wacht zij in stil vertrouwen de vrede voor altijd, tot eind'lijk voor haar ogen, waarin 't verlangen brandt, het schouwspel komt getogen der Kerke triumfant.

4 In haar drie-een'ge Here, nog in haar aardse strijd, blijft zij met hen verkeren, wien ruste werd bereid. Geef dat in uw genade, o God, ook eenmaal wij langs uwe lichte paden gaan tot der zaal'gen rei!

Ten slottte wordt gezongen Psalm 72: 11 

11 Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen; Men loov' Hem vroeg en spa; De wereld hoor', en volg' mijn zangen, Met amen, amen na.