Opname van een volledige DoopdienstLukas 2 25

Gemeente zingt: Psalm 78: 1 en 2

1 Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren; Neig oor en hart, om naar mijn stem te horen; 'k Zal met mijn mond u wijze spreuken leren, Verborgenheen, van ouds af waardig t' eren. Mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond, Gelijk een bron, die voortspringt uit den grond.

2 Verborgenheen, met diep ontzag te melden, Die ons voorheen de vaderen vertelden, Die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen, Die stellen wij het nageslacht voor ogen; Des Heeren lof uit 's lands historieblaan, Zijn sterken arm en grote wonderdaan.

Bij het binnen dragen van de dopelinge zingt de gemeente Psalm 105: 5

5 God zal Zijn waarheid nimmer krenken, Maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn woord wordt altoos trouw volbracht, Tot in het duizendste geslacht. 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, Bevestigt Hij van kind tot kind.

Na de doop klinkt Psalm 134: 3

3 Dat 's Heeren zegen op u daal'; Zijn gunst uit Sion u bestraal'. Hij schiep 't heelal, Zijn Naam ter eer: Looft, looft dan aller heren Heer'!

Schriftlezing: Lukas 2: 25-36

25 En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israëls, en de Heilige Geest was op hem. 26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien. schilderij van Hans Memling: Triptiek met de geboorte, aanbidding der wijzen en de presentatie in de tempel » meer 27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen; 28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: 29 Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; 30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, 31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: 32 Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. 33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd. schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn: De profetie van Simeon aan Maria 34 En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. 35 (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.

Gezang 137 klinkt voor de preek

1 Heilig, heerlijk Opperwezen, die het groot heelal gebiedt, alles moog' verdonk'ring vrezen, maar dat vreest uw luister niet; zitten wij in treurig duister, nog behoudt dat eeuwig licht al zijn glans en al zijn luister, waardig aller lof en dicht.

2 Gij alleen zijt alles waardig, wij, die stof zijn, niet met al; alles zij ten dienst U vaardig, of het sta, dan of het vall'; zo uw luister maar mag blinken, doe dan vrij al wat Gij doet; of wij drijven, of wij zinken, wat Gij doet is altijd goed.

3 Diepe wijsheid zijn uw paden; wijsheid zonder eind of paal zijn, o hoge God, uw daden, zijn uw wegen altemaal! Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid, wij aanbidden, zwijgen stil, want de wezenlijke goedheid maakt het goed met dat zij 't wil.

4 Raad, die scheps'len nooit doorgronden, raad, die 't al heeft vastgesteld, en verordend heeft de stonden, en de sterren heeft geteld, o, wij bukken voor die wijze, die verheven raad, die wis al ons danken, al ons prijzen meer dan alles waardig is.

Gezang D de lofzang van Simeon gezongen

1 Zo laat Gij, Heer', Uw knecht, Naar 't woord, hem toegezegd, Thans henengaan in vrede; Nu hij Uw zaligheid, Zo lang door hem verbeid, Gezien heeft op zijn bede. 2 Een licht, zo groot, zo schoon, Gedaald van 's hemels troon, Straalt volk bij volk in d' ogen; Terwijl 't het blind gezicht Van 't heidendom verlicht, En Isrel zal verhogen.