Schriftlezing:Lukas 169

Lukas 16: 1-13

1 En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht. 2 En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. 3 En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen. 5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig? 6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot een anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig. 8 En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht. 9 En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. 10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig. 11 Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen? 12 En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven? 13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.

Voor de preek Gezang 194

1 Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in 't bangst gevaar, is bij Hem veilig en geborgen, die redt Hij godd'lijk, wonderbaar: wie op de hoge God vertrouwt, heeft zeker op geen zand gebouwd.

2 Wat baat ons 't twijfelmoedig vrezen, 't kleinmoedig zuchten, wee en ach? Vergeefs zou al ons kermen wezen, al klaagden w' ook de ganse dag. De last des jammers, die men draagt, drukt maar te meer, hoe meer men klaagt.

3 Men blijv' eerbiedig God verbeiden, en zwijg' de Heer ootmoedig stil; Hij zal ons naar zijn raad geleiden, 't is goed en heilig, wat Hij wil. Vaak ligt in 't geen ons treuren doet voor ons de kiem van 't hoogste goed.

4 Treed vrolijk voort op 's Heren wegen en neem uw plicht getrouw in acht; 't wordt eind'lijk alles u ten zegen, wanneer gij biddend daarop wacht. Wie steeds gelovig op Hem ziet, begeeft, verlaat Hij eeuwig niet.

Tot slot moet Psalm 86: 8 gezongen zijn.

8 Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig, Zeer barmhartig, overvloedig In gena, die ons behoedt, Groot van waarheid, eindloos goed. Wend U tot mijn ziel genadig; Sterk Uw knecht, en geef weldadig Ondersteuning aan den zoon Uwer dienstmaagd, van den troon.