8 Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan. 10 En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden;

Deze opname is van voor 1970

Bijlagen:
BestandBestandsgrootte
Bewaar het bestand FG Job 42,8 en 10a | Job en Israel.mp3FG Job 42,8 en 10a | Job en Israel.mp327540 kB