Schriftlezing:

4 Want zo zegt de HEERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij, en leeft. 5 Maar zoekt Beth-el niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-el zal worden tot niet. 6 Zoekt den HEERE, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-el; 7 Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen. 8 Die het Zevengesternte en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam.

Gezang 2

1 Daar komt een schip geladen tot aan het hoogste boord, draagt Gods Zoon vol genade, des Vaders eeuwig Woord.

2 Hoe 't schip het water kliefde! het bergt een kostb're last; het zeil, dat is de liefde, de heil'ge Geest de mast.

3 Het anker valt ter rede, nu is het schip aan land. Het Woord is vlees geworden, Gods Zoon reikt ons de hand.

4 Te Bethlehem geboren als kindje in een stal, geeft zich voor ons verloren de Heiland van 't heelal.

5 En wie in groot verblijden dit kindje kussen wil, moet vooraf met Hem lijden zijn kruis, om zijnentwil,

6 en daarna met Hem sterven, om geest'lijk op te staan en 't leven te verwerven, gelijk Hij heeft gedaan.

De slotpslam is Psalm 98: 2

Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt. Dit slaan al 's aardrijks einden gade, Nu onze God Zijn heil om schenkt. Juich dan den Heer' met blijde galmen, Gij ganse wereld, juich van vreugd. Zing vrolijk in verheven psalmen Het heil, dat d' aard' in 't rond verheugt.