Schriftlezing:

Micha 6: 8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?

Exodus 34: 1-10 uit de Naardense Bijbel:

1 De Ene zegt tot Mozes: hak je twee stenen platen uit, als de eerste; schrijven zal ik op die platen de woorden die geweest zijn op de eerste platen, die je hebt verbrijzeld. 2 Wees tegen de ochtend gereed; opklimmen zul je in de ochtend naar de berg Sinaï, posteren zul je je dáár voor mij, op de top van de berg; 3 geen man mag met je mee opklimmen, en ook mag op heel de berg geen man zich laten zien; ook het wolvee en het rundvee mogen niet weiden tegenover die berg! 4 Hij hakt uit: twee stenen platen, als de eerste; dan recht Mozes in de ochtend zijn schouders en klimt op naar de berg Sinaï,- zoals de Ene hem heeft geboden; in zijn hand neemt hij mee: de twee stenen platen. 5 Néér daalt de Ene in de wolk en posteert zich daar bij hem; hij roept de naam ‘Ene’ uit. 6 Dan trekt de Ene voorbij, vlak voor zijn aanschijn, en roept hij uit: Ene, Ene, Godheid ontfermend en genadig!- lankmoedig en overvloedig in vriendschap en trouw!- 7d ie vriendschap bewaart voor duizenden, die onrecht verdraagt, overtreding en zonde; maar ongestraft: níets laat hij ongestraft, bezoekend het onrecht van vaders aan zonen en zoons-zonen, aan derden en vierden! 8 Dan haast Mozes zich,- knielt ter aarde en buigt zich neer. 9 Hij zegt: als ik toch genade heb gevonden in uw ogen, mijn Heer, laat dan mijn Heer toch meegaan in ons midden; want een gemeente hard van nek is het, maar vergeven moet u ons onrecht en onze zonde en ons als erfdeel aanvaarden! 10 Dan zegt hij: hier ben ik, ik smeed een verbond; tegenover heel je gemeente zal ik wonderen doen zoals nog niet geschapen zijn op heel de aarde en bij welke van de volkeren ook; zien zal heel de gemeente in welks kring jij bent het doen van de Ene,- dat het vreeswekkend is wat ik samen met jou ga doen;

Hosea 11 uit de Nieuwe Bijbelvertaling: 1Toen Israël nog een kind was, had ik het lief; uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen. 2Hoe harder ze geroepen werden, hoe meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten offers aan de Baäls en brandden wierook voor godenbeelden – 3terwijl ik het toch was die Efraïm leerde lopen en hem op mijn arm nam. Maar zij beseften niet dat ík hen verzorgde. 4Zacht leidde ik hen bij de teugels, aan koorden van liefde trok ik hen mee; ik verloste hen van het juk om hen te laten eten, ik hield hun het voer zelfs nog voor. 5Zouden zij niet naar Egypte terugkeren, zou Assyrië niet over hen heersen, nu zij weigeren naar mij terug te keren? 6Het zwaard zal huishouden in hun steden en hun orakelpriesters neerhouwen om alles wat ze hebben uitgebroed. 7Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens mij. Al roepen ze tot mij, de Allerhoogste, ik zal hun lot niet verlichten. 8Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven? Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël? Zou ik je prijsgeven als Adma, je laten ondergaan als Seboïm? Mijn hart wordt verscheurd, door barmhartigheid word ik bewogen. 9Ik zal mijn toorn laten varen en Efraïm niet opnieuw te gronde richten. Want God ben ik, en geen mens, ik ben in jullie midden, ik ben heilig, ik zal niet meer in woede ontsteken. 10De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen hem weer volgen. Wanneer hij brult, keren ze schuchter terug van overzee, 11als bange vogeltjes komen ze uit Egypte, als duiven uit Assyrië. Dan laat ik hen weer wonen in hun eigen huis – zo spreekt de HEER.