Schriftlezing:

Exodus 33: 18 Dan zegt hij :laat mij toch uw glorie zien 19 Hij zegt:van mij uit laat ik voorbijtrekken:heel mijn goedheid,vlak voor je aanschijn,en de naam 'Ene' zal ik uitroepen voor je aanschijn;begenadigen zal ik wie ik begenadigen ontfermen zal ik mij over wie ik mij ontferm! 20 En hij zegt:je zult niet bij machte zijn om mijn gelaat te zien;want nooit ziet de roodbloedige mens mij aan en overleeft het! 21 Dan zegt de Ene:hier is een plaats bij mij; opstellen zal ik je op de rots; 22 geschieden zal het als mijn glorie voorbijtrekt: neerzetten zal ik je in een holte van de rots;overhuiven zal ik je met mijn handpalm totdat ik voorbijtrek; 23 weghalen zal ik mijn handpalm en zien zul je mijn achterkant;mijn gelaatstrekken zullen niet worden gezien!

34:1 De Ene zegt tot Mozes:hak je twee stenen platen uit, als de eerste; schrijven zal ik op die platen de woorden die geweest zijn op de eerste platen,die je hebt stukgebroken. 2 Wees tegen de ochtend gereed; opklimmen zul je in de ochtend naar de berg Sinaï, opstellen zul je je dáár voor mij, op de top van de berg; 3 niemand mag met je mee opklimmen, en ook mag op heel de berg niemand zich laten zien; ook het wolvee en het ploegvee mogen niet weiden tegenover die berg! 4 Hij hakt uit: twee stenen platen, als de eerste; dan recht Mozes in de ochtend zijn schouders en klimt op naar de berg Sinaï, zoals de Ene hem heeft geboden in zijn hand neemt hij mee:de twee stenen platen. 5 Néér daalt de Ene in de wolk en stelt zich daar bij hem op hij roept de naam 'Ene' uit 6 Dan trekt de Ene voorbij, vlak voor zijn aanschijn en roept hij uit:Ene, Ene, Godheid ontfermend en genadig! lankmoedig en overvloedig in vriendschap en trouw! 7 die vriendschap bewaart voor duizenden,die onrecht verdraagt, overtreding en zonde;maar ongestraft: níets laat hij ongestraft,bezoekend het onrecht van vaders aan zonen en zoons-zonen, aan derden en vierden!

1 Korinthe 12: 27 Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. 28 God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. 29 Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? 30 Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?  31 Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.

13-1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten. 4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. 8 De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

14-1 Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de profetie. 2 Iemand die in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar alleen tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal. 3 Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend. 4 Iemand die in klanktaal spreekt is daar alleen zelf bij gebaat; iemand die profeteert doet dat ten bate van de gemeente. 5 Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft.

Bijlagen:
BestandBestandsgrootte
Bewaar het bestand Leerdienst-Tenachon 1 Korinthe 13.mp3Leerdienst-Tenachon 1 Korinthe 13.mp312909 kB
Bewaar het bestand Leerdienst-Tenachon 1 Korinthe 13.pdfLeerdienst-Tenachon 1 Korinthe 13.pdf118 kB