Toledoth

Genesis 25:19. Dit zijn de geboorten uit Abrahams zoon Isaak. Abraham deed Isaak geboren worden! 20. Isaak wordt een zoon van veertig jaar als hij Rebekka aanneemt, dochter van Betoeël de Arameeër uit Padan Aram, -zuster van Laban de Arameeër, hem tot vrouw. 21. Isaak bidt tot de Ene ter wille van zijn vrouw want ze is onvruchtbaar; de Ene laat zich door hem verbidden en Rebekka, zijn vrouw, wordt zwanger. 22. De zonen slaan in haar binnenste tegen elkaar aan en zij zegt: als het zo gaat, waarvoor dien ik eigenlijk? -en ze gaat heen om raad te zoeken bij de Ene. 23. Dan zegt de Ene tot haar: twee volkeren in je schoot, twee stammen zullen vanuit jouw ingewand scheiden de ene stam zal sterker zijn dan de andere stam, de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere! 24. Als haar dagen vervuld zijn om te baren: ziedaar, tweelingen in haar schoot! 25. De eerste komt naar buiten: rossig is alles aan hem, als een mantel van haar; ze roepen als naam voor hem Esau, - ruigrok! 26. Daarna is zijn broer naar buiten gekomen met zijn hand vast om de hiel van Esau en hij roept als naam voor hem uit Jakob, -‘hij licht de hiel’. Isaak is een zoon van zestig jaar als zij hen baart. 27. Als de jongens opgroeien wordt Esau een man die weet heeft van jacht, een man van het veld, - Jakob een man van eenvoud, zittend in tenten.28.Isaak heeft Esau lief, want jachtbraad dat past in zijn mond,-terwijl Rebekka Jakob liefheeft 29. Eens braadt Jakob een braadstuk; dan komt Esau aan van het veld, uitgeput is hij, -30. en Esau zegt tot Jakob:laat me onmiddellijk iets verslinden van het rode, dit rode, want ik ben uitgeput! Daarom roept men als naam voor hem Edom, - rode! 31. Jakob zegt: verkoop vandaag je eerstelingsrecht aan mij! 32. Esau zegt: zie, ik ga heen om te sterven, - waarvoor eigenlijk heb ik eerstelingsrecht? 33. Dan zegt Jakob: zweer het mij, vandaag! en hij bezweert het hem; hij verkoopt zijn eerstelingsrecht aan Jakob. 34. Als Jakob aan Esau brood en linzenbraadstuk heeft gegeven, eet en drinkt hij, staat hij op en gaat hij heen; zo veracht Esau het eerstelingsrecht. 

Genesis 26 1. Het geschiedt: honger in het land, een andere dan de éérdere honger die er is geschied in de dagen van Abraham; dan gaat Isaak naar Avimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar, - zwerversgasthuis. 2. Daar laat zich aan hem zien de Ene en zegt: daal niet af naar Egypte,-woon in het land dat ik je toezeg; 3 wees zwerver-te-gast in dit land: ik zal met je zijn, ik zal je zegenen; want aan jou en aan je zaad zal ik al deze landstreken geven; ik zal de bezwering gestand doen die ik heb gezworen aan Abraham, je vader; 4 ik zal jouw zaad zo overvloedig maken als de sterren aan de hemel,-geven zal ik aan jouw zaad al deze landstreken; door jouw zaad zullen zich gezegend weten alle volkeren van het aardland,-5 als loon daarvoor dat Abraham gehoord heeft naar mijn stem,-en bewaard heeft wat ik te bewaren gaf: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn onderrichtingen! 6 Dan zet Isaak zich neer in Gerar, -zwerversgasthuis. 7 Maar dan vragen de mannen van dat oord naar zijn vrouw en zegt hij ‘mijn zuster is zij’, want hij is bevreesd om te zeggen ‘mijn vrouw’,- ‘anders zullen de mannen van dit oord mij vermoorden om Rebekka, want zij is goed om aan te zien!’ 8 Maar het geschiedt wanneer hij daar een lengte van dagen is: eens gluurt Avimelech, koning van de Filistijnen door het schietgat; en wat ziet hij?- ziedaar Isaak,- men lacht, is bezig Rebekka, zijn vrouw, ‘aan het lachen te maken’… 9 Avimelech roept Isaak en zegt: echt, ziedaar ze is je vrouw,- hoe heb je kunnen zeggen ‘zij is mijn zuster’? Isaak zegt tot hem: omdat ik zei ‘anders moet ik om haar sterven’! 10 Dan zegt Avimelech: wat heb je ons aangedaan! - op een haar na had een van de manschap jouw vrouw beslapen en had je schuld over ons doen komen! 11 Dan gebiedt Avimelech heel de manschap en zegt: wie deze man of zijn vrouw aanraakt zal met de dood worden gedood! 12 Als Isaak in dat land zaait vindt hij in dat jaar honderd vrachten terug: de Ene zegent hem. 13 De man groeit, -gaandeweg groeiend totdat hij zeer groot is.14 Hem gewordt bezit aan wolvee, bezit aan rundvee en een overvloed aan dienstvolk,-zodat de Filistijnen jaloers op hem worden.15 Alle bronnen die de dienaars van zijn vader hebben gegraven in de dagen van zijn vader Abraham, hebben de Filistijnen ten slotte dichtgestopt en ze gevuld met stof. 16 Avimelech zegt tot Isaak: ga bij ons weg, want je bent véél sterker geworden dan wij! 17 Dan gaat Isaak van daar weg; hij legert in het beekdal van Gerar en zet zich daar neer. 18 Isaak keert terug en graaft de waterbronnen open die ze gegraven hebben in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen hebben dichtgestopt na de dood van Abraham; hij roept voor hen namen uit, naar de namen  die zijn vader voor hen heeft uitgeroepen.19 De dienaars van Isaak graven in het beekdal, -en vinden daar een bron met levend water. 20 Dan maken de herders van Gerar ruzie met de herders van Isaak en zeggen: dat water is voor ons! Hij roept als naam voor de bron uit ‘Esek’,- kijfhoek!,omdat ze met hem aan het kijven zijn geweest. 21 Ze graven een andere bron en maken ook dáárover ruzie, -en hij roept als naam daarvoor uit ‘Sitna’,- satanswater 22 Hij breekt daarvandaan op en graaft een andere bron,- en daarover hebben ze geen ruzie gemaakt; hij roept als naam voor haar uit Rechovot,- ruimten!, hij zegt: want nu heeft de Ene ruimte gemaakt voor ons en hebben wij vrucht gedragen op het land!  23 Hij klimt vandaar op naar Beëer Sjeva,-bron van zeven, bron waar gezworen.24 In die nacht laat de Ene zich aan hem zien en zegt: ik ben de God van je vader Abraham;vrees niet want bij jou ben ik, zegenen zal ik je en talrijk maken zal ik je zaad omwille van Abraham mijn dienaar! 25 Hij bouwt daar een altaar, hij roept de naam aan van de Ene en spant daar zijn tent; dan delven daar de dienaars van Isaak een bron op. 26 Avimelech is vanuit Gerar naar hem toegegaan, -met Achoezat, zijn makker,en Pichol, de vorst van zijn strijdschaar. 27 Isaak zegt tot hen: waarom wel zijt ge tot mij gekomen? -u die mij steeds hebt gehaat en mij bij u vandaan hebt gezonden! 28 Zij zeggen:met inzicht hebben we gezien hoe de Ene met je is geweest, dus zeggen we: laat er toch geen vloek wezen tussen ons beiden, tussen ons en jou; laten we een verbond met jou smeden, 29 dat je ons nooit kwaad zult doen, zoals wij je niet aangeraakt hebben, zoals wij je slechts goed hebben gedaan en je hebben heengezonden in vrede; jij bent nu de gezegende van de Ene! 30 Hij maakt voor hen een feestdronk klaar en ze eten en drinken 31 In de ochtend rechten ze hun schouders en zweren als man en broeder; dan zendt Isaak hen heen en gaan ze bij hem vandaan in vrede.32 Het geschiedt op diezelfde dag dat de dienaars van Isaak aankomen en hem melden van de bron die ze hebben gegraven; ze zeggen tot hem: we hebben water gevonden! 33 Hij roept haar uit tot Sjiva, - gezworen! daarom is de naam van de stad: Beëer Sjeva, - bron van zeven, bron waar gezworen, tot op deze dag. 34 Esau wordt een zoon van veertig jaar en neemt tot vrouw: Jehoediet, dochter van Beëri,- mijn bron, de Chitiet,-én Basemat, dochter van Elon de Chitiet. 35 Die worden een bitterheid des geestes, -voor Isaak en Rebekka.

Genesis 27 1 Het geschiedt dat Isaak oud is geworden en zijn ogen worden te bleek om te kunnen zien; hij roept Esau, zijn grootste zoon, en zegt tot hem: mijn zoon! ,en die zegt tot hem: hier ben ik!  2 En hij zegt: ziehier toch, ik ben oud geworden, ik ken de dag van mijn dood niet; 3 welnu, pak toch je spullen op,je pijlkoker en je boog,-trek uit te velde en jaag voor mij een stuk jachtwild; 4 maak mij een smakelijk maal zoals ik er van houd: laat het tot mij komen en ik zal eten, opdat mijn ziel je zal zegenen voordat ik sterf! 5 Rebekka is toehoorster bij het spreken van Isaak tot zijn zoon Esau; Esau gaat het veld in om een stuk jachtwild te jagen en er mee thuis te komen. 6 Rebekka heeft gezegd tot haar zoon Jakob, ze zegt: ziehier, ik heb je vader horen spreken tot je broer Esau, en hij zei: 7 ‘kom naar mij toe met een stuk jachtwild en maak er een smakelijk maal van, dan zal ik eten, -en ik zal je zegenen voor het aanschijn van de Ene in het aanschijn van mijn dood!’- 8 welnu, mijn zoon, hoor naar mijn stem, voor wat ik je ga gebieden!- 9 ga toch naar het wolvee, neem voor mij van daar mee twee goede geitenbokjes; dan maak ik daarvan een smakelijk maal voor je vader, zoals hij ervan houdt; 10 daarmee moet je tot je vader komen, en hij zal eten: omwille daarvan dat hij jou zal zegenen in het aanschijn van zijn dood! 11 Jakob zegt tot zijn moeder Rebekka: ziehier, mijn broeder Esau is een harig man en ik ben een glad man:12 misschien zal vader mij betasten en wezen zal ik dan in zijn ogen als een die de gek met hem steekt: doen komen zal ik over mij vervloeking en geen zegen! 13 Maar zijn moeder zegt tot hem: over mij die vervloeking van jou, mijn zoon! -echt, hoor naar mijn stem, ga en neem het voor mij mee! 14 Hij gaat, neemt ze mee en komt er mee bij zijn moeder; zijn moeder maakt een smakelijk maal, zoals zijn vader ervan houdt.15 Dan neemt Rebekka de gewaden van Esau, haar grootste zoon, - de kostbaarste die er bij haar in huis waren, en trekt ze Jakob, haar kleinste zoon, aan.16 De huiden van de geitenbokjes heeft ze over zijn handen getrokken, -en over het gladde deel van zijn hals. 17 Ze geeft het smakelijke maal en het brood dat ze heeft klaargemaakt haar zoon Jakob in de hand. 18 Hij komt binnen bij zijn vader en zegt ‘vader’, en die zegt: hier ben ik, wie ben jij, mijn zoon? 19 Dan zegt Jakob tot zijn vader: ik ben Esau, je eersteling, gedaan heb ik zoals je tot mij hebt gesproken; richt je toch op, ga zitten en eet van mijn jachtbraad opdat je ziel mij kan zegenen! 20 Isaak zegt tot zijn zoon: wat heb je dit haastig gevonden, mijn zoon! - en hij zegt: omdat de Ene, uw God, het zo liet treffen voor mijn aanschijn! 21 Dan zegt Isaak tot Jakob: treed toch nader, ik wil je betasten, mijn zoon: of jij hier mijn zoon Esau bent of niet! 22 Jakob treedt nader tot Isaak, zijn vader, en die betast hem; hij zegt: de stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn Esaus handen! 23 Hij heeft hem niet herkend, want zijn handen zijn geweest als de handen van Esau, zijn broer: harig; en hij zegent hem. 24 En hij zegt: jij hier bent mijn zoon Esau? -en hij zegt ‘dat ben ik!’ 25 Hij zegt: breng het mij nader, dan kan ik eten van het jachtwild van mijn zoon, zodat mijn ziel je kan zegenen! Hij brengt het hem nader en hij eet; ook komt hij tot hem met wijn en hij drinkt. 26 Dan zegt Isaak, zijn vader, tot hem: treed toch nader en kus mij, mijn zoon! 27 Hij treedt nader en kust hem,en hij ruikt de reuk van zijn gewaden en zegent hem; hij zegt: zie aan, de reuk van mijn zoon is als de reuk van een veld dat de Ene heeft gezegend!- 28 geve God jou van de dauw van de hemelen en van het vette van het aardland, én overvloed van koren en most!- 29 gemeenschappen zullen je dienen en stammen zullen voor je buigen, word je broeders de baas, laten voor jou buigen de zonen van je moeder; wie jou vervloekt zij vervloekt, wie jou zegent gezegend! 30 En het geschiedt: met dat Isaak voleindigd heeft Jakob te zegenen en het geschiedt dat Jakob maar net is weggegaan van het aanschijn van zijn vader Isaak, -is zijn broer Esau thuisgekomen van de jacht. 31 Ook hij maakt er een smakelijk maal van en komt ermee bij zijn vader; hij zegt tot zijn vader: laat mijn vader opstaan en eten van het jachtbraad van zijn zoon, opdat je ziel mij zal zegenen! 32 Dan zegt Isaak, zijn vader, tot hem: wie ben jij? - en hij zegt: ik ben je zoon, je eersteling, Esau! 33 Dan begint Isaak te beven, een beven zeer groot; hij zegt: wie dan toch is hij die het jachtwild heeft gejaagd en er mee bij mij kwam zodat ik van alles at voordat jij kwam, en hém zegende? -en gezegend zal hij ook wórden! 34 Als Esau de woorden van zijn vader hoort begint hij te schreeuwen, een schreeuwen zeer groot en bitter; en hij zegt tot zijn vader zégen mij, óók míj, mijn vader! 35 Die zegt: je broer is binnengekomen met bitter bedrog en nam jouw zegen weg! 36 Hij zegt: heeft men als naam van hem niet geroepen: Jakob, - ‘hij licht de hiel’? hij heeft mij nu beide keren de hiel gelicht: mijn eerstelingsrecht heeft hij genomen en zie, nu heeft hij mijn zegen meegenomen! Hij zegt: heb je geen zegen voor míj terzijde gelegd? 37 Isaak antwoordt en zegt tot Esau: ziehier, als gebieder heb ik hem over jou gesteld, al zijn broeders heb ik hem gegeven als dienaars en met koren en most heb ik hem ondersteund; voor jou dus: wát kan ik doen, mijn zoon? 38 Dan zegt Esau tot zijn vader: is dat de enige zegen die je had, vader? zegen mij, ook mij, mijn vader! - Esau verheft zijn stem en weent. 39 Dan antwoordt Isaak, zijn vader, en zegt tot hem: ziedaar, ver van het vette der aarde zal je zetel wezen, ver van de dauw des hemels van boven; 40 op je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen; maar het zal geschieden: zodra je heen en weer beweegt zul je zijn juk afschudden van je hals! 41 Esau is des duivels over Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem heeft gezegend. Dan zegt Esau in zijn hart: de dagen van rouw over mijn vader naderen, - dan zal ik Jakob, mijn broer, vermoorden! 42 Men meldt aan Rebekka de woorden van Esau, haar oudste zoon; dan zendt ze bericht, roept Jakob, haar jongste zoon, en zegt tot hem: ziehier, Esau, je broer, wil zich over jou troost verschaffen door je te vermoorden; 43 welnu mijn zoon, hoor naar mijn stem,- sta op, vlucht voor je bestwil naar mijn broer Laban, naar Charan;44 enige dagen moet je bij hem zitten,-totdat de woede van je broer zal keren, 45 totdat de toorn van je broer van jou is afgekeerd en hij is vergeten wat je hem hebt aangedaan!- bericht zal ik zenden en je daarvandaan meenemen; waarom zou ik me van jullie twééën laten beroven op één dag? 46 Tot Isaak zegt Rebekka: ik kokhals van mijn leven bij de verschijning van de dochters van Cheet: als Jakob een vrouw gaat nemen uit de dochters van Cheet, zoals deze beiden, uit de dochters van het land, waarvoor heb ik dan leven?!

Genesis 28 1 Dan roept Isaak Jakob toe en zegent hem en gebiedt hem en zegt tot hem: neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän, - 2 sta op, ga naar Padan Aram, naar het huis van Betoeël, je moeders vader,- en neem je een vrouw dáárvandaan, uit de dochters van Laban, je moeders broer; 3 God de Overmachtige zal je zegenen, hij zal je vruchtbaar en talrijk maken; worden zul je tot een vergadering van gemeenschappen!- 4 hij geve je de zegen van Abraham, jou en jouw zaad mét je, opdat jij zult beërven het land van je omzwervingen dat God aan Abraham heeft gegeven! 5 Isaak zendt Jakob weg en die gaat op Padan Aram aan, - naar Laban, de zoon van Betoeël de Arameeër, de broer van Rebekka, moeder van Jakob en Esau. 6 Als Esau ziet dat Isaak Jakob heeft gezegend en hem naar Padan Aram heeft gezonden om zich daarvandaan een vrouw te nemen, - toen hij hem zegende en hem een gebod oplegde door te zeggen: neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän!- 7 en dat Jakob hoort naar zijn vader en zijn moeder, en naar Padan Aram gaat, 8 dan ziet Esau in hoe slecht de dochters van Kanaän zijn,- in de ogen van Isaak, zijn vader, 9 en gaat Esau naar Ismaël, en neemt zich Machalat, dochter van Abrahams zoon Ismaël, zuster van Nevajot, tot vrouw bij de vrouwen die hij heeft.

Wajeetsee:

Genesis 28:10 Jakob trekt weg van Beëer Sjeva,-en gaat op Charan aan. 11 Hij bereikt het oord en overnacht daar, want de zon is thuisgekomen; hij neemt een van de stenen van het oord en legt die aan zijn hoofdeinde; zo slaapt hij in, in dat oord. 12 Hij droomt: ziedaar, een ladder geposteerd op het aardland, zijn hoofd reikend tot aan de hemel; ziedaar: engelen van God opstijgend en neerdalend daarover 13 en ziedaar: boven hem de Ene geposteerd; hij zegt:ik ben de Ene, God van je vader Abraham en God van Isaak; het aardland waarop je nu slaapt zal ik geven aan jou en aan je zaad; 14 worden zal je zaad als het stof van het aardland en uitbreken zul je zeewaarts, oostwaarts, noordelijk en zuidwaarts; gezegend zullen zijn door jou, en door je zaad alle families op de –rode– grond; 15 ziehier, ik ben met je,wáken zal ik over je, overal waar je gaat en je doen terugkeren op deze –rode– grond; want ik zal je niet verlaten  totdat ik echt heb gedaan  wat ik tot jou heb gesproken! 16 Jakob wordt wakker  uit zijn slaap  en zegt:  waarlijk is hier de Ene  in dit oord;  en ík heb het niet onderkend! 17 Hij wordt bevreesd en zegt:hoe vreeswekkend is dit oord!- dit is niet anders  dan een huis van God, dit is de poort des hemels!18 In de ochtendvroegte recht Jakob zijn schouders, hij neemt de steen die hij had neergelegd aan zijn hoofdeind en zet haar neer als standkei;dan giet hij olie over haar hoofd.19 Hij roept als naam uit voor dat oord: Bet El,- huis van God! maar eertijds was ‘Loez’ de naam van de stad van hoofde aan. 20 Dan belooft Jakob een belofte en zegt: als God met mij zal wezen en mij bewaren zal op deze weg die ik ga en mij zal geven brood om te eten en een gewaad om aan te trekken, 21 en ik in vrede zal zijn teruggekeerd naar het huis van mijn vader,- wezen zal de Ene mij tot God!- 22 en deze steen die ik als standkei heb neergezet  al wezen een huis van God;  al wat gij mij zult geven  zal ik vertienen, ja vertienen voor u!

Genesis 29 1 Dan heft Jakob zijn voeten op,- en gaat naar het land van de zonen van het oosten. 2 Hij ziet uit  en ziedaar, een bron in het veld, en ziedaar, dáár zijn  drie kudden wolvee bij haar  omdat ze uit díe bron de kudden drenken; maar de steen op de mond van de bron is gróót. 3 Verzamelen zullen zich alle kudden daarheen wentelen zullen ze de steen van de mond van de bron en drenken het wolvee; doen terugkeren zullen ze de steen op de mond van de bron op haar plaats. 4 Jakob zegt tot hen: broeders, vanwaar zijt gij?-  en zij zeggen: van Charan zijn wij! 5 Dan zegt hij tot hen: kent ge Laban, de zoon van Nachor?-  en zij zeggen: die kennen wij! 6 Hij zegt tot hen: is het vrede voor hem?- en zij zeggen: ja, vrede,-  ziedaar zijn dochter Rachel, ze komt aan met het wolvee! 7 Hij zegt: zie, het is nog hoog-en-breed dag, nog geen tijd om het vee te verzamelen; drenkt het wolvee, gaat heen en weidt! 8 Maar zij zeggen:dat ligt niet in onze macht  totdat alle kudden verzameld zijn, wentelen zullen ze de steen  van de mond van de bron,- en drenken zullen wij de kudde! 9 Hij is nog in gesprek met hen, als Rachel aankomt met het wolvee dat van haar vader is, want herderin is zij.  10 En het geschiedt:  zodra Jakob Rachel heeft gezien,- de dochter van Laban, de broer van zijn moeder,  én het wolvee van Laban, de broer van zijn moeder,  treedt Jakob naderbíj, wentelt de steen weg van de mond van de bron  en drenkt  het wolvee van Laban, de broer van zijn moeder. 11 Dan kust Jakob Rachel,-  hij verheft zijn stem en weent. 12 Jakob meldt aan Rachel dat hij een broeder van haar vader is  en dat hij een zoon van Rebekka is; zij snelt heen en meldt het haar vader. 13 En het geschiedt:met dat Laban heeft gehoord het ongehoorde over Jakob, de zoon van zijn zuster, snelt hij hem tegemoet, omhelst hem, kust hem en doet hem komen in zijn huis; híj vertelt aan Laban  al deze woorden. 14 Laban zegt tot hem:echt, mijn gebeente en mijn vlees ben je!- en hij zet zich bij hem neer, de dagen van een maand.  15 Dan zegt Laban tot Jakob: omdat je mijn broeder bent zou je mij moeten dienen om niet?- meld mij wat je loon moet zijn!16 Nu heeft Laban twee dochters; de naam van de oudste is Lea, de naam van de jongste is Rachel. 17 Maar de ogen van Lea waren flets, terwijl Rachel is geweest:schoon van gestalte en schoon van aanzien. 18 Jakob krijgt Rachel lief; hij zegt:ik wil je zeven jaren dienen om Rachel, je jongste dochter! 19 Laban zegt:beter dat ik haar aan jou geef  dan dat ik haar geef aan een andere man; zet je bij mij neer! 20 Zo dient Jakob zeven jaren voor Rachel;  die worden in zijn ogen als enkele dágen,omdat hij haar liefheeft.21 Dan zegt Jakob tot Laban:     welnu,verleen (mij) mijn vrouw!- want vervuld zijn mijn dagen: ik wil tot haar komen!  22 Laban verzamelt alle mannen van de plaats en maakt een feestdronk klaar.  23 In de avondschemer geschiedt het: dan neemt hij zijn dochter Lea  en doet haar komen tot hem,- en hij komt tot háár… 24 Laban geeft haar zijn slavin Zilpa mee,- zijn dochter Lea tot slavin. 25 Het geschiedt in de ochtend: zie, het is Lea!- en hij zegt tot Laban: wat heb je me nu gedaan?-  heb ik niet om Rachel bij je gediend?- waarom heb je me dan bedrogen? 26 Laban zegt:dat wordt nooit zo gedaan op onze plek:de geringere weggeven vóór het aanschijn van de eerstelinge; 27 vervul deze zevendagenplicht,  geven zal ik je ook déze,  voor het dienstwerk waarmee je bij mij zult dienen nog zeven jaren hierna! 28 Zo doet Jakob:hij vervult deze zevendagenplicht;  dan geeft hij hem zijn dochter Rachel, hem tot vrouw. 29 Laban geeft aan zijn dochter Rachel  zijn slavin Bilha mee, haar tot slavin. 30 Hij komt ook tot Rachel  en heeft Rachel ook meer dan Lea lief;  hij dient bij hem  nog zeven jaren hierna. 31 Als de Ene ziet dat Lea gehaat is opent hij háár moederschoot,  terwijl Rachel onvruchtbaar is.  32 Lea wordt zwanger en baart een zoon; ze roept als naam voor hem: Ruben,- ziet, een zoon!, want, heeft ze gezegd, want gezien heeft de Ene mijn vernedering,  ja, nú zal mijn man mij liefhebben! 33 Ze wordt nogmaals zwanger  en baart een zoon,  en zegt:omdat de Ene heeft gehóórd dat ik gehaat ben  geeft hij mij ook deze;  ze roept als naam voor hem uit:Simeon,- verhoring! 34 Ze wordt nogmaals zwangen en baart een zoon  en zegt: nú, deze keer,zal mijn man zich aan mij hechten,omdat ik hem drie zonen heb gebaard; daarom heeft men als zijn naam geroepen:Levi,- gehecht ben ik! 35 Nogmaals wordt ze zwanger en baart een zoon en zegt:deze keer mag ik de Ene wel danken!- daarom heeft zij als zijn naam geroepen:Juda,- dankzegging!  dan staat ze stil, wat baren betreft.

Genesis 30 1 Als Rachel moet aanzien  dat zij niet heeft gebaard aan Jakob  wordt Rachel jaloers op haar zuster;  ze zegt tot Jakob: gun mij zonen, zo niet, dan sterf ik!  2 Dan ontbrandt Jakobs toorn tegen Rachel;hij zegt:ben ík het in plaats van God  die jou een vrucht in de schoot heeft onthouden? 3 Zij zegt:zie hier mijn dienstmaagd Bilha,kom tot háár,- dan zal zij op mijn knieën baren,zodat ook ik met zonen word opgebouwd, uit haar. 4 Ze geeft hem haar slavin Bilha tot vrouw; en Jakob komt tot haar.  5 Bilha wordt zwanger  en baart aan Jakob een zoon. 6 Dan zegt Rachel: God heeft over mij geoordeeld  en heeft ook gehoord naar mijn stem; hij geeft mij een zoon!  Daarom heeft zij als zijn naam geroepen:Dan,- hij heeft geoordeeld! 7 Ze wordt nogmaals zwangeren baart, Bilha, Rachels slavin, aan Jakob een tweede zoon.  8 Dan zegt Rachel:godsgrote gevechten heb ik uitgevochten met mijn zuster, ook heb ik overmocht!  Ze roept als naam voor hem uit:Naftali,- door mij bevochten! 9 Als Lea ziet  dat ze wat baren betreft stil is blijven staan,  neemt ze Zilpa, haar slavin,  en geeft haar aan Jakob tot vrouw.10 Zo baart Zilpa,  Lea’s slavin, aan Jakob een zoon.11 Dan zegt Lea: er is gewin gekomen!-  en ze roept als naam voor hem uit:Gad,- gewonnen! 12 Dan baart  Zilpa, Lea’s slavin,  aan Jakob een tweede zoon;  13 en Lea zegt: hoe zalig ben ik!- want dochters zullen mij zalig prijzen!- en ze roept als naam voor hem uit: Aser,- zalig! 14 Ruben gaat in de dagen van de tarweoogst heen,vindt op het veld minne-appels  en komt daarmee bij zijn moeder, Lea. Dan zegt Rachel tegen Lea: geef toch mij  wat van de minne-appels van je zoon! 15 Zij zegt tot haar: is het te weinig voor jou om mijn man af te nemen  dat je nu ook wilt nemen  de minne-appels van mijn zoon?  Dan zegt Rachel: daarvoor mag hij vannacht met jou slapen, in ruil voor de minne-appels van je zoon!  16 Als Jakob van het veld komt  in de avondschemer,  trekt Lea uit, hem tegemoet  en zegt: tot míj moet je komen,  want als een loonwerker heb ik je gehuurd  met de minne-appels van mijn zoon!- en hij slaapt met haar, in diezelfde nacht. 17 God verhoort Lea:  ze wordt zwanger en baart aan Jakob  een vijfde zoon.  18 Lea zegt: God heeft mij er loon voor gegeven dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven! en roept als naam voor hem uit:Issachar,- hij zal het lonen! 19 Nog eens wordt Lea zwanger en baart aan Jakob een zesde zoon.  20 Lea zegt: begiftigd heeft God mij  met een goede gift, ditmaal zal mijn man mij bewonen,  want een zestal zonen heb ik hem gebaard!-  en ze roept als naam voor hem uit:Zebulon,- bewoner! 21 Daarna heeft zij een dochter gebaard; ze riep als naam voor haar uit: Dina! 22 Dan gedenkt God Rachel: God hoort naar haar  en opent haar moederschoot. 23 Ze wordt zwanger en baart een zoon;  ze zegt:  God heeft mijn smaad saamgevoegd, 24 en roept als naam voor hem uit:Jozef,- hij zal toevoegen!en zegt erbij:de Ene zal mij een andere zoon toevoegen! 25 Het geschiedt als Rachel Jozef heeft gebaard,- dat Jakob tot Laban zegt:  zend mij heen, dat ik kan gaan  naar eigen oord en eigen land;  26 geef me mijn vrouwen en de mij geborenen mee  waarvoor ik je gediend heb, dan kan ik gaan:  want jij wéét  met welke dienstbaarheid ik je heb gediend!  27 Laban zegt tot hem:moge ik toch genade gevonden hebben in je ogen,-ik heb bespeurd  dat de Ene mij zegent ter wille van jou!  28 Hij zegt:  bepaal je loon bij mij en ik zal het je geven! 29 Hij zegt tot hem:  zelf weet jij  hoe ik je gediend heb,-en hoe het je vee met mij is vergaan;  30 want het was maar  een béétje dat van jou is geweest  vóór mijn verschijning en het brak uit tot een overvloed,  de Ene heeft je gezegend voor mijn voetstap;  welnu,  wanneer mag ook ík iets doen aan míjn huishouden? 31 Hij zegt: wat moet ik je geven?  Jakob zegt:je hoeft me niet wat-dan-ook te geven,-als je maar dit woord voor mij doet, zal ik je wolvee weiden, het bewaken:  32 ik zal heel je kudde wolvee vandaag doorkruisen  en daaruit verwijderen elk lam  dat gespikkeld of gevlekt is,  én elk zwart lam bij de schapen,  én wat gespikkeld is en gevlekt is bij de geiten:dát zal mijn loon wezen;  33 want getuigen zal voor mij mijn oprechtheid op de dag van morgen,  wanneer ik zal komen om mijn loon, voor jouw aanschijn:  al wat niet gespikkeld of gevlekt is bij de geiten  en zwart bij de schapen  is gestolen waar bij mij!  34 Laban zegt: zie, geschiede naar jouw woord!, 35 en hij verwijdert op diezelfde dag de gestreepte en gevlekte bokken  en alle gespikkelde en gevlekte geiten,alles waar laban,- wit aan is, en al wat zwart is onder de schapen,en geeft dat in de hand van zijn zoons.36 Hij stelt in:een reis van drie dagen tussen hem en Jakob;terwijl Jakob  herder wordt over wat er van Labans wolvee is overgebleven. 37 Dan neemt Jakob zich  verse takken van de witte labanspopulier, van hazelaar en plataan,  en kerft daarin witte labanskerven,  blootleggend het labanswit  op de takken. 38 Hij plaatst  de takken die hij heeft ingekerfd  in de goten, in de waterdrinkbakken,- waar ze komen om te drinken, het ene wolvee pal voor het andere wolvee. Ze worden bronstig als ze komen om te drinken; 39 ze worden bronstig, het wolvee, bij de takken,- en zij baren, het wolvee,  gestreepten, gespikkelden en gevlekten. 40 De schapen  heeft Jakob afgezonderd  en hij heeft het aanschijn van het wolvee gericht naar het gestreepte en al het zwarte bij het wolvee van Laban;  hij heeft voor zichzelf kudden apart gezet,- hij heeft ze niet neergezet bij het wolvee van Laban. 41 Het is geschied:  bij elke bronst  van de sterksten uit het wolvee,  heeft Jakob de takken neergezet  voor de ogen van het wolvee, in de drinkbakken  om met die takken bronst op te wekken. 42 En bij wat verkwijnde uit het wolvee heeft hij niets neergezet; zo is het geschied: de kwijnenden voor Laban en de sterken voor Jakob! 43 De man breidt uitermate uit:een overvloed aan wolvee,  slavinnen en dienaars, kamelen en ezels     wordt van hem.

Genesis 31 1 Maar dan hoort hij  de gesprekken van Labans zonen, dat ze zeggen:genomen heeft Jakob  alles wat van onze vader was,- en uit wat van onze vader was  heeft hij zich klaargemaakt  heel deze glorie! 2 En Jakob ziet het aanschijn van Laban aan,- ziedaar, dat is niet mét hem als gister en eergister. 3 Dan zegt de Ene tot Jakob:keer terug naar het land van je vaderen,naar je geboortegrond: ik zal met je wezen! 4 Jakob zendt iemand uit  en laat Rachel en Lea roepen,-  te velde, bij zijn wolvee. 5 Hij zegt tot hen:ik zie aan het aanschijn van jullie vader  dat hij tot mij niet is als gister en eergister: de God van mijn vader is met mij geweest; 6 zelf weten jullie  hoe ik met al mijn kracht  jullie vader heb gediend;  7 jullie vader heeft met mij de gek gestoken  en mijn loon wel tien keren veranderd;  maar God heeft hem niet gegeven  kwaad te begaan aan mij;  8 als hij zús zei:  ‘gespikkelden, dat zij je loon’,  dan baarden ze, alle wolvee, gespikkelden;  en als hij zó zei:  ‘gestreepten, dat zij je loon’,  dan baarden ze, alle wolvee, gestreepten; 9 zo ontrukte God het vee aan jullie vader en gaf het aan mij:10 het geschiedt  in de bronsttijd van het wolvee:  ik hef mijn ogen op en zie in de droom:ziedaar, de bokken die het wolvee beklimmen  zijn gestreept, gespikkeld en bont;11 dan zegt tot mij de engel van God in de droom:Jakob!-  en ik zeg ‘hier ben ik!’; 12 hij zegt:hef toch je ogen op en zie hoe alle bokken die het wolvee beklimmen  gestreept, gespikkeld en bont zijn,- want gezien heb ik al wat Laban jou aandoet; 13 ik ben de God van Bet El, waar jij een standkei hebt gezalfd,  waar je mij een belofte hebt beloofd;  nú dan: sta op, trek weg uit dit land  en keer terug naar het land van je geboorte!  14 Dan antwoordt Rachel, en Lea ook,  en zeggen ze tot hem:  hebben wij nog part of deel in het huis van onze vader?- 15 zijn wij door hem niet als vreemdelinges beschouwd toen hij ons verkocht?- ook teert hij met zijn verteringen op ons geld!-16 ja, al de rijkdom  die God aan onze vader ontrukt heeft  is van ons en onze zonen;  nu dan, al wat God tot je gezegd heeft, doe dat! 17 Dan staat Jakob op,- en tilt zijn zonen en zijn vrouwen op de kamelen. 18 Hij drijft al zijn vee op,  en al zijn gewin dat hij heeft gewonnen, zijn zelfverworven vee  dat hij aangewonnen heeft in Padan Aram; om te komen bij zijn vader Isaak, in het land van Kanaän.19 Laban is weggegaan  om zijn schapen te scheren;  dan steelt Rachel  de terafiem van haar vader. 20 En Jakob besteelt  het hart van Laban de Arameeër,  door hem niet te melden  dat hij gaat vluchten. 21 Hij vlucht, hijzelf en al het zijne;  hij staat op en steekt de rivier over; hij zet zijn aanschijn op het bergland van de Gilead. 22 Op de derde dag meldt men aan Laban  dat Jakob is gevlucht. 23 Hij neemt zijn broeders mee en jaagt hem achterna een reis van zeven dagen; hij krijgt hem beet in het bergland van     de Gilead. 24 Dan komt God tot Laban de Arameeër in de nachtelijke droom, en zegt tot hem: wacht je ervoor dat je met Jakob eerst goed spreekt en dan kwaad (doet)! 25 Zo bereikt Laban Jakob;  Jakob  heeft zijn tent opgeslagen in het bergland  en Laban heeft met zijn broeders tenten opgeslagen in het bergland van de Gilead. 26 Laban zegt tot Jakob:  wat heb je gedaan?- je besteelt mijn hart!- je drijft mijn dochters op als buit van een zwaard; 27 waarom ben je stiekem gevlucht  en heb je mij bestolen?-  je hebt het mij niet gemeld,- ik zou je met vreugde en gezangen heenzenden, met trom en harp!-  28 je hebt me niet eens toegestaan  om mijn zonen en dochters te kussen;  nu heb je dwaas gedaan!- 29 er is godskracht in mijn hand  om jullie kwaad te doen; maar de God van jullie vader heeft gisternacht tot mij gezegd,- hij zei:‘wacht je ervoor om met Jakob eerst goed te spreken en dan kwaad (te doen)!’- 30 welnu, je móest gaan en ging, omdat je vol verlangen verlangde naar het huis van je vader;maar waarom heb je mijn goden gestolen?! 31 Jakob antwoordt en zegt tot Laban:omdat ik bevreesd was,omdat ik zei:anders ontroof jij mij je dochters!- 32 maar bij wie jij je goden vindt,die zal het niet overleven!- herken zelf ten overstaan van onze broeders wat ik bij me heb en neem het jouwe! Jakob heeft niet geweten dat Rachel ze had gestolen.  33 Laban komt binnen in de tent van Jakob, in de tent van Lea  en in de tent van de twee dienstmaagden,- maar heeft niets gevonden;hij gaat de tent van Lea uit  en komt de tent van Rachel binnen. 34 Maar Rachel  heeft de terafiem genomen,  ze in het zadel van de kameel gelegd  en is erop gaan zitten;  Laban tastte de hele tent af, maar heeft niets gevonden. 35 Ze zegt tot haar vader:  laat het niet ontvlammen in de ogen van mijn heer,  dat ik niet bij machte ben om op te staan voor uw aanschijn, want het gaat mij naar de weg der vrouwen!  Hij zoekt nauwgezet,- en heeft de terafiem niet gevonden!  36 Dan ontvlamt het bij Jakob en maakt hij Laban verwijten; Jakob antwoordt en zegt tot Laban: wat is mijn misstap, wat mijn zonde  dat je mij zo achterna gehitst bent?- 37 want je hebt al mijn spullen afgetast  en wát van alle spullen van je huis heb je gevonden?-leg het hier neer ten overstaan van mijn broeders en jouw broeders,- dan kunnen zij tussen ons tweeën beslissen;  38 deze twintig jaar dat ik bij je ben hebben je ooien* en je geiten geen misdracht gehad;  de rammen van je wolvee heb ik niet opgegeten;  39 met het verscheurde ben ik niet tot je gekomen, ik heb het tot mijn eigen zonde gemaakt,uit mijn hand eiste je terug  wat mij ontstolen werd des daags en  wat mij ontstolen werd des nachts;  40 zo is het geweest: op de dag verteerde mij hitte, en koude in de nacht;  zodat mijn slaap week van mijn ogen; 41 ik ben nu twintig jaar  in je huis;gediend heb ik veertien jaar voor je twee dochters en zes jaren voor het wolvee;je hebt mijn loon wel tien keren veranderd;42 was niet  de God van mijn vader, de God van Abraham en de schrik van Isaak voor mij geweest,  dan had je mij nu ledig heengezonden;  mijn ellende  en de moeite van mijn handpalmen heeft God gezien en gisternacht heeft hij beslist! 43 Laban antwoordt en zegt tot Jakob:de dochters zijn míjn dochters, de zonen míjn zonen en het wolvee míjn wolvee, al wat jij ziet is van mij;maar mijn eigen dochters,wat zal ik hun vandaag aandoen,-  of hun zonen die zij hebben gebaard?- 44 welnu:ga mee, laten we een verbond smeden, ik en jij;wezen zal dat tot getuigenis tussen mij en jou! 45 Jakob neemt een steen,- en verheft haar tot matséva,-standkei. 46 Dan zegt Jakob tot zijn broeders:vergaart stenen!  Zij nemen stenen en maken een steenhoop; ze eten daar bij de steenhoop. 47 Dan roept Laban voor hem uit:Jegar Sahadoeta,- puinhoop-oorkonde; maar Jakob heeft over hem uitgeroepen ‘Galeed’,-een steenhoop is getuige! 48 Laban zegt: deze steenhoop is getuige tussen mij en jou vandaag!  Daarom is als naam voor hem uitgeroepen ‘Galeed’,- een steenhoop is getuige!– 49 en ook de Mitspa,- uitkijkpost, omdat hij zei:  moge de Ene uitkijken tussen mij en jou,- omdat wij ‘man voor makker’ verborgen zullen leven;50 als je mijn dochters onderdrukt,  als je vrouwen neemt naast mijn dochters  dan is geen man met ons,- zie,God is getuige tussen mij en jou! 51 Laban zegt tot Jakob:ziehier deze steenhoop en ziehier de standkei die ik heb opgeworpen tussen mij en jou:52 een getuigenis is deze steenhoop  en een getuigenis is de standkei,- dat ik nooit  naar jou zal oversteken deze steenhoop voorbij  en dat jíj nooit naar mij zult oversteken deze steenhoop en deze standkei voorbij  voor enig kwaad;  53 de God van Abraham en de God van Nachor, die zullen rechtspreken tussen ons,de God van hun vader! Dan zweert Jakob  bij de schrik van zijn vader, Isaak.  54 Jakob offert op de berg een offerdier  en roept zijn broeders samen     om het brood te eten;  ze eten het brood en overnachten op de berg.

Genesis 32 1 In de ochtend recht Laban zijn schouders, kust zijn zonen en zijn dochters en zegent hen;dan gaat Laban heen en keert terug naar zijn (woon)plaats. 2 Als Jakob zijns weegs is gegaan* stuiten boden van God op hem. 3 Jakob zegt, met dat hij ze heeft gezien:een leger van God is dit!,en hij roept als naam voor dat oord uit:     Machanajim,- dubbelleger! 

Bijlagen:
BestandBestandsgrootte
Bewaar het bestand Genesis 25 - 32.mp3Genesis 25 - 32.mp316424 kB
Bewaar het bestand liturgie Genesis 25 en 32.pdfliturgie Genesis 25 en 32.pdf56 kB
Bewaar het bestand preek Genesis 25 en 32.pdfpreek Genesis 25 en 32.pdf110 kB