Schriftlezing:

3. Als ge in mijn inzettingen wandelt, en mijn geboden bewaakt en ze doén zult, 4 dan zal ik geven: regens op hun tijd en zal het land geven: zijn gewas en geeft het geboomte van het veld zijn vrucht. 5 Dan bereikt voor u de dorstijd de druivenpluk en de druivenpluk reikt tot het zaaien; uw brood zult ge eten tot verzadiging en wonen zult ge in uw land in veiligheid. 6 Geven zal ik: vrede op aarde* ,- gaan liggen zult ge en niemand die u opschrikt; boos gedierte zal ik doen ophouden uit het land en geen zwaard doorkruist meer uw land. 7 Achtervolgen zult ge uw vijanden; die vallen dan voor uw aanschijn neer voor het zwaard. 8 Achtervolgen zullen vijf van u een honderdtal en honderd van u zullen een menigte achtervolgen; vallen zullen uw vijanden voor uw aanschijn voor het zwaard. 9 Ik zal mij tot u wenden en u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen; gestand doen zal ik mijn verbond met u. 10 Eten zult ge de oude oogst van het oude jaar, en de oude naar buiten moeten doen vanwege de verschijning van de nieuwe! 11 Mijn woning geef ik plaats onder u: mijn ziel walgt niet meer van u! 12 Omwandelen zal ik onder u en er voor u wezen als God; en gij zult er voor mij zijn als gemeente. 13 Ik, de Ene, ben uw God, die u heb uitgeleid uit het land van Egypte om geen dienaars meer van hén te wezen; ik breek de stangen van uw juk en doe u rechtop gaan. 14 Maar als ge niet naar mij hoort, en al deze geboden níet doet,- 15 als ge tegen mijn inzettingen weerzin koestert en als uw ziel van mijn rechtspraak walgt,- zodat ge al mijn geboden níet doet, zodat ge het verbond met mij breekt, 16 dan zal ik op mijn beurt dit doen aan u: bezoeking zal ik over u doen met verschrikkelijke dingen: de tering en de koorts, die de ogen doven en de ziel doen wegkwijnen; vergeefs zult ge uw zaad zaaien: uw vijanden zullen het eten! 17 Ik zal mijn aanschijn tegen u de ruimte geven, verslagen wordt ge voor het aanschijn van uw vijanden; uw haters zullen over u lopen,- vluchten zult ge terwijl niemand u achtervolgt. 18 En als ge bij dát alles nog niet naar mij hoort, dan zal ik doorgaan u te tuchtigen om uw zonden,- met het zevenvoudige. 19 Breken zal ik de trots van uw macht; geven zal ik u een hemel als van ijzer en een aarde als van koper. 20 Vergeefs raakt uw kracht uitgeput: uw land geeft niet zijn gewas, en het geboomte van het land geeft niet zijn vrucht. 21 Als ge met mij voortwandelt tegen mij in en niet willens zijt naar mij te horen, zal ik u zevenmaal harder slaan, overeenkomstig uw zonden. 22 Loslaten zal ik op u het wild des velds en kinderloos zal dat u maken, uw vee verscheuren en u tot een klein hoopje maken; doodstil liggen daar uw wegen. 23 En als ge door dat alles u niet door mij laat tuchtigen, en met mij voortwandelt tegen mij in, 24 dan zal ik op mijn beurt met u tegen u ingaan; slaan zal ik u, ja ik, om uw zonden met het zevenvoudige. 25 Doen komen zal ik over u een zwaard der wrake dat het verbond wreekt; verzamelen zult ge u in uw steden; loslaten zal ik dan onder u de pest, zodat ge wordt overgeleverd in de hand des vijands. 26 Wanneer ik bij u de staf die brood is breek, zullen tíen vrouwen uw brood bakken in één oven en uw brood precies-afgewogen terugbrengen: eten zult ge en niet verzadigd worden. 27 Als ge bij dat alles nog niet naar mij hoort,- en met mij wandelt tégen mij, 28 zal ik met ú voortgaan in woede tegen u en u tuchtigen, ik op mijn beurt, voor uw zonden met het zevenvoudige. 29 Eten zult ge dan het vlees van uw zonen; en het vlees van uw dochters zult ge eten. 30 Vernietigen zal ik uw hoogten, uw zonnezuilen omhakken, uw lijken een plaats geven bovenop de lijken van uw namaakgoden; walgen zal mijn ziel van u! 31 Prijsgeven zal ik uw steden aan het zwaard, en uw heiligdommen platleggen; ik wil niet meer ruiken aan uw reuk die-tot-rust-brengt! 32 In eigen persoon zal ik het land platleggen; uw vijanden -die daarin zullen zetelen- zullen daarover paf staan. 33 En uzelf zal ik verstrooien onder de volkeren en achter u aan een verwoestend zwaard doen trekken; blijvend zal uw land platliggen, uw steden blijven verwoest. 34 Dán haalt het land zijn sabbatten in,- al die dagen dat het platligt en gij in het land van uw vijanden zijt; dán houdt het land sabbat en zal het zijn sabbatten inhalen. 35 Al de dagen dat het platligt krijgt het sabbatsrust, zoals het niet heeft kunnen houden bij die sabbatten van ú toen u er nog rustig zat! 36 Van hen die er bij hen overblijven maak ik in de landen van hun vijanden het hart slap als pap: opjagen laten ze zich dan door het geluid van een opwaaiend blad,- vluchten zullen ze als op de vlucht voor een zwaard en vallen, terwijl niemand ze opjaagt! 37 Struikelen zullen ze, man-over-broeder, als voor het aanschijn van een zwaard, maar iemand die ze opjaagt ís er niet! Standhouden zal er voor u niet bij wezen voor het aanschijn van uw vijanden. 38 Ge zult verloren gaan onder de volkeren; ge zult worden opgegeten door het land van uw vijanden. 39 En die er nog bij u over zijn, zullen in de landen van uw vijanden wegteren aan hun ongerechtigheid; ook om de ongerechtigheden van hun vaders naast hen teren ze weg. 40 Belijden zullen ze hun onrecht en het onrecht van hun vaders in de ontrouw waarmee ze tegen mij trouweloos geweest zijn; en waarmee zelfs zij met mij voortwandelden tégen mij. 41 Op mijn beurt ga ik nu verder met hen tegen hen in en zal ik hen doen komen in het land van hun vijanden; maar als dan hun voorhuidige hart zich verootmoedigt en zij dan straf voor hun ongerechtigheid genieten, 42 zal ik gedenken: mijn verbond met Jakob; ook mijn verbond met Isaak, ook mijn verbond met Abraham zal ik gedenken, en het land zal ik gedenken. 43 Het land zal van hen verlaten worden en zijn sabbatten genieten, woest als het daar ligt zonder hen,- en zij genieten de straf voor hun onrecht; omdat, en alleen omdat zij mijn rechtsregels hebben versmaad en hun ziel van mijn inzettingen heeft gewalgd! 44 Maar zelfs dan, als zij dan zullen wezen in het land van hun vijanden zal ik hen niet zo versmaden en niet zo van hen walgen dat ik een eind aan hen zou maken, dat ik mijn verbond met hen zou breken; nee, ik ben de Ene, hun God! 45 Gedenken zal ik voor hen het verbond met de eersten,- hen die ik voor de ogen der volkeren uit het land van Egypte heb geleid om er voor hen te wezen als God, ik de Ene! 46 Dit zijn de inzettingen, de rechtsregels en de onderrichtingen welke de Ene heeft gegeven tussen hem en de zonen en dochters van Israël; op de berg Sinaï, door de hand van Mozes.

Bijlagen:
BestandBestandsgrootte
Bewaar het bestand Leviticus 26,3-46.mp3Leviticus 26,3-46.mp317518 kB
Bewaar het bestand liturgie Leviticus 26,3-46.pdfliturgie Leviticus 26,3-46.pdf54 kB
Bewaar het bestand preek Leviticus 26,3-46.pdfpreek Leviticus 26,3-46.pdf114 kB