Schriftlezing:

2 Dan richt God zijn woord tot Mozes en zegt tot hem: ik ben de Ene; 3 ik heb mij laten zien aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob als God-de-Machtige; mijn naam ‘Ene’ heb ik aan hen niet bekendgemaakt; 4 maar wél heb ik opgericht een verbond van mij met hen om hun het land van Kanaän te geven; het land van hun omzwervingen, waarin zij zwervers-te-gast zijn geweest!- 5 en óók ben ik het die heeft gehoord het kermen van de zonen Israëls nu de Egyptenaren hen laten sloven, en ik gedenk mijn verbond!- 6 daarom, zeg tot de zonen Israëls: ‘ik, de Ene,- uitleiden zal ik u, onder Egyptes lasten vandaan,- ontrukken zal ik u aan hun slavernij; loskopen zal ik u met uitgestrekte arm en grote gerichten; 7 nemen zal ik u mij tot gemeente, wezen zal ik u tot God; weten zult ge dat ik de Ene uw God ben die u heeft uitgeleid onder Egyptes lasten vandaan; 8 doen komen zal ik u in het land waarvoor ik mijn hand heb geheven om dat te geven aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, en geven zal ik het u als erfgoed,ik, de Ene!’ 9 Zó spreekt Mozes tot de zonen Israëls; maar ze hebben niet naar Mozes gehoord, door tekort aan adem, door de harde slavendienst. 7:1 Dan zegt de Ene tot Mozes: zie!, gegeven heb ik jou aan Farao als God; en Aäron, je broeder, zal er wezen als je profeet!- 2 jíj brengt onder woorden alles wat ik je gebied; en Aäron, je broeder, voert het woord tot Farao: heenzenden zal hij de zonen Israëls uit zijn land!- 3 maar dan zal ík het hart van Farao verharden en mijn tekenen en mijn wonderen verméérderen op het land van Egypte; 4 hij zal niet naar jullie horen, Farao, ik zal mijn hand (te voelen) geven in Egypte; uitleiden zal ik mijn strijdscharen, mijn gemeente, de zonen Israëls, uit het land van Egypte, in grote gerichten; onderkennen zullen ze, de Egyptenaren, dat ik het ben, de Ene, als ik mijn hand uitstrek over Egypte,- en de zonen Israëls uitleid bij hen vandaan!